Informatie / Communicatie – toelichting & bibliografische notitie

27 Oct 2010

Toelichting

  • Een democratie valt of staat met een bepaalde vorm van informatie en communicatie. In de Grondwet van een democratie dienen informatie en communicatie adequaat geformuleerd te zijn.
  • In de huidige Grondwet en in universele verklaringen en internationale verdragen staan betrekkelijk veel bepalingen over informatie en communicatie.
  • Informatieverzorging in een samenleving vormt een macht. Deze moet beheerst worden.


Bibliografische notitie

  • In de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden (1983) staat zes artikelen die rechtstreeks handelen over informatie en communicatie, namelijk de artikelen 7, 9, 10 en 13. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: er is vrijheid om via drukpers en andere media gedachten of gevoelens te openbaren; er is geen voorafgaand toezicht op radio- en televisieuitzendingen; er zijn wettelijke regels voor vertoningen aan personen jonger dan zestien jaar; er is recht op vergaderen en betogen; er is wettelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens; het brief-, telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar.
  • Hetzelfde als het bovenstaande staat in Een Nederlandse Ontwerp-Grondwet (2006) van Jan Willem Sap in de artikelen 17, 19, 20 en 23.
  • In ‘Proeve van een Grondwet’ (2008) van prof. mr. C.A.J.M.Kortmann staat in de paragraaf “Grondrechten’ dat iedereen die zich in Nederland bevindt het recht heeft zijn mening vrij te uiten, zonder enige vorm van censuur, het recht heeft tot vergadering en betoging, het recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, het recht heeft op ongestoorde communicatie (artikel 3.1).
  • In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) staan drie artikelen die rechtstreeks handelen over informatie en communicatie, namelijk de artikelen 12, 19 en 29. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: niemand zal onderworpen worden aan inmenging in zijn briefwisseling; een ieder kan zonder inmenging inlichtingen en denkbeelden opsporen, ontvangen en doorgeven; een ieder moet voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap
  • In het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van de leden van de Raad van Europa (1950) staan twee artikelen die handelen over informatie en communicatie, namelijk de artikelen 10 en 15. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: een ieder heeft de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen; Staten kunnen radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen onderwerpen aan een systeem van vergunningen; “Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien of die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”; in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt kunnen maatregelen genomen worden die afwijken van verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
  • In de Verklaring van de Rechten van het Kind (1959) staat in Beginsel 8 dat het kind tot de eersten behoort die recht hebben op bescherming en hulp.
  • In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966) staan drie artikelen die rechtstreeks handelen over informatie en communicatie, namelijk de artikelen 17, 19 en 20. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: niemand mag onderworpen worden aan willekeurige en onwettige inmenging in zijn briefwisseling; een ieder heeft de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze; aan deze vrijheid zijn bepaalde plichten en verantwoordelijkheden verbonden met het oog op het belang van de rechten en de goede naam van anderen en het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden; alle oorlogspropaganda is verboden; het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens, die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld, is verboden.
  • In het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) staan vier artikelen die rechtstreeks handelen over informatie en communicatie en die soms op delfde wijze geformuleerd zijn als de artikelen in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966). Het zijn de artikelen 12, 13, 16 en 17. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: kinderen hebben het recht vrijelijk hun mening te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid; het kind heeft de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te vergaren, te ontvangen en door te geven, ongeacht de landsgrenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn of haar keuze; geen enkel kind mag onderworpen worden aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar correspondentie; kinderen dienen toegang te hebben tot informatie en materiaal uit een verscheidenheid van nationale en internationale bronnen; de vervaardiging en verspreiding van kinderboeken wordt aangemoedigd; passende richtlijnen worden ontwikkeld voor de bescherming van het kind tegen informatie en materiaal die schadelijk zijn voor zijn of haar welzijn.
  • In het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (7 december 2000) staan zes artikelen die rechtstreeks handelen over informatie en communicatie, namelijk de artikelen 7, 8, 11, 12, 24, en 42. Daarin wordt onder meer het volgende tot uitdrukking gebracht: een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn communicatie; een ieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens; een ieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan; een ieder heeft de vrijheid een mening te koesteren, om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen; de vrijheid en de pluriformiteit van de media worden geëerbiedigd; een ieder heeft de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging op alle niveaus; kinderen mogen vrijelijk hun mening uiten; bij alles wat het kind betreft vormen de belangen van het kind de eerste overweging; iedere burger van de Europese Unie heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie.
  • Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Informatie
  • Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Informatietheorie
  • Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Informatiebeveiliging
  • Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Communicatiewetenschap
  • Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrijheid_van_meningsuiting

E-mail deze pagina

Aan:
Van:

Zend deze pagina door via e-mail

Omhoog
Terug naar boven